In het programma ‘Iedereen topsporter’ benaderen wij jouw doelen zoals die van een topsporter. Een topsporter richt zijn leven zo in dat hij of zij optimaal kan presteren om de gewenste doelen te behalen. De juiste voeding, beweging, ontspanning, faciliteiten, omgeving en ga zo maar door.

Wat doe jij om jouw doelen te behalen? En wat betekent optimaal presteren voor jou? Optimaal presteren is voor iedereen anders. Denk bijvoorbeeld aan een goede ouder zijn, een uitmuntende werknemer of een fit en gelukkig mens. Waarom zou je niet net als topsporters alles uit de kast halen om zo optimaal mogelijk te presteren (/te leven)? Het ‘Iedereen topsporter’ programma helpt jou je doelen te behalen. Met de focus op zowel de fysieke als de mentale gesteldheid komen de volgende aandachtsgebieden aan bod:

  • Juiste voeding
  • Voldoende ontspanning en slaap
  • Voldoende, en op een passende manier, bewegen
  • Faciliterende omgeving

Hoe het programma er precies uit ziet, hangt af van jouw doelen. Iedere deelnemer begint in ieder geval met een screening om het doel en de mogelijkheden om dit te bereiken helder te krijgen. Daarna volgt een plan van aanpak, volledig toegespitst op jouw wensen. Het gaat immers om jouw beeld van optimaal presteren. Mogelijke betrokken disciplines zijn een diëtiste, fysiotherapeut, psycholoog, sportarts en/of podoloog. Centraal in het programma zijn de terugkomende gesprekken met de leefstijlcoach, die samen met jou je leefstijl gaat managen.

Ben jij nieuwsgierig geworden? Of heb je nog vragen? Neem vrijblijvend contact op met onze leefstijlcoach door een mail te sturen naar: b.gritter@hetomnium.nl.


In de start van de 20e eeuw probeerden onderzoekers aan te tonen dat goede leiders vaak over soortgelijke eigenschappen bezitten. Onder andere stabiliteit, intelligentie en assertiviteit werden als mogelijk cruciaal geopperd. Later verloor deze benadering aan terrein; leiderschap zou complexer zijn.

In plaats van leiderschap van de coach, kijk eens naar het leiderschap in het sportteam. In veel sportteams is van oudsher een enkele aanvoerder aanwezig. Coaches hebben hun eigen voorkeuren in de eigenschappen van aanvoerders. De ene coach hecht ook meer waarde aan deze rol dan de andere. Hoe belangrijk is goed leiderschap eigenlijk? Diverse onderzoeken tonen aan dat leiderschap invloed heeft op tevredenheid, cohesie, prestaties en op intrinsieke motivatie. Genoeg om eens serieus te gaan investeren in het leiderschap van je team.

Voor wie vernieuwend durft te zijn; de afgelopen jaren is er onderzoek gedaan naar meerdere leiders in één team. Traditioneel: één aanvoerder die alles moet doen (zonder dat iemand precies weet hoe en wat).

De nieuwe mogelijkheid: gedeeld leiderschap. Er zijn vier rollen die vervuld kunnen worden.

1) Taak leider. De leider die zegt wat er moet gebeuren wat betreft de teamtaken.

2) Motivationele leider. De leider die het team weet op te peppen als het nodig is.

3) Sociaal leider. De leider die oogt heeft voor het sociale aspect in het team en individu.

4) Externe leider. De leider die met de buitenwereld communiceert.

Een sporter kan meerdere rollen invullen; zo kan een enkele speler zowel taak- als sociaal leider zijn. Het voordeel van deze methode? Mensen komen meer in hun kracht te staan en het is duidelijker wat er van deze mensen verwacht wordt. Daar komt bij dat je minder kwetsbaar bent als team, je bent immers niet meer afhankelijk van één aanvoerder.

Ga eens aan de slag met je team, kijk wie welke rol goed kan vervullen en wat je als team van die persoon verwacht.

Zware blessure gehad, en merk je nu angst en twijfel? Je bent niet de enige. Veel atleten met deze tegenslag merken meer twijfel en angst dan ze voorheen hadden. Je kunt het vertrouwen in je eigen lijf missen.
Misschien durf je sommige dingen niet meer en vermijd je ze. Twijfel, onzekerheid en angst zijn vrij normale emoties in een revalidatie.

Een tip die we vanuit de sportpsychologie vaak meegeven is het stellen van doelen. De doelen die je voor je blessure had, zijn op het moment waarschijnlijk niet haalbaar. Doelen helpen om je motivatie te bewaren, omdat ze een richting geven waar je naartoe wilt bewegen. En als je doelen handig inzet, kun je zelfs je vertrouwen er wat mee reguleren.

Een tip die je waarschijnlijk al kent is het opdelen in kleinere stappen. Je resultaatdoel is weer terugkeren in de sport. Maar omdat dit doel ver weg ligt, werkt het beter om naar korte termijn doelen toe te werken. Dus; eerst weer een X aantal minuten bezig zijn. Of een X aantal kilometers maken. Doordat deze doelen beter binnen bereik liggen, kunnen ze je meer gemotiveerd houden.

Een tweede tip binnen doelen stellen is het stellen van proces doelen.
Wat moet je nou precies doen om je resultaatdoel(en) te behalen. Dus; hoe vaak moet je trainen per week? Welke beweging wil je oefenen. Welke techniek, fysieke of mentale vaardigheid wil je centraal stellen in een training/week? Denk aan het juist afzetten bij een sprong, de technische uitvoering van een bal werpen/trappen of de mentale bereidheid om angst te verdragen. Focus je op deze doelen, in plaats van het einddoel wat zo ver weg ligt. Door het behalen van ‘tussen’ doelen en de focus op procesdoelen, blijft je motivatie waarschijnlijk hoger. Net als je vertrouwen.

Een tip die we vanuit de sportpsychologie vaak meegeven is het stellen van doelen. De doelen die je voor je blessure had, zijn op het moment waarschijnlijk niet haalbaar. Doelen helpen om je motivatie te bewaren, omdat ze een richting geven waar je naartoe wilt bewegen. En als je doelen handig inzet, kun je zelfs je vertrouwen er wat mee reguleren.

Een tip die je waarschijnlijk al kent is het opdelen in kleinere stappen. Je resultaatdoel is weer terugkeren in de sport. Maar omdat dit doel ver weg ligt, werkt het beter om naar korte termijn doelen toe te werken. Dus; eerst weer een X aantal minuten bezig zijn. Of een X aantal kilometers maken. Doordat deze doelen beter binnen bereik liggen, kunnen ze je meer gemotiveerd houden.

Een tweede tip binnen doelen stellen is het stellen van proces doelen.
Wat moet je nou precies doen om je resultaatdoel(en) te behalen. Dus; hoe vaak moet je trainen per week? Welke beweging wil je oefenen. Welke techniek, fysieke of mentale vaardigheid wil je centraal stellen in een training/week? Denk aan het juist afzetten bij een sprong, de technische uitvoering van een bal werpen/trappen of de mentale bereidheid om angst te verdragen. Focus je op deze doelen, in plaats van het einddoel wat zo ver weg ligt. Door het behalen van ‘tussen’ doelen en de focus op procesdoelen, blijft je motivatie waarschijnlijk hoger. Net als je vertrouwen.

In hoeverre sporters gemotiveerd zijn wordt bepaald door een complexe samenhang van psychologische eigenschappen en de (sociale) omgeving waar ze in presteren. Een psychologische eigenschap als consciëntieus (gewetensvol) zijn helpt mee om motivatie beter onder controle te krijgen. Als je hier hoog op scoort gaat het je makkelijker af om discipline te tonen en doelgericht te trainen. Psychologische eigenschappen verander je echter niet zo makkelijk. Waar je meer invloed op hebt, is de sociale omgeving rondom je sporter/team. In de sportpsychologie heet dit ook wel het motivationele klimaat; Hoe bepaal je of je succes hebt, waar vergelijk je je mee en waar streeft een sporter naar binnen diens sport.

Er is een onderscheid tussen een taak-klimaat en een ego-klimaat.

In een taak-klimaat ligt het accent op je eigen ontwikkeling. Een sporter vergelijkt zich vooral met diens eerdere prestaties. De focus ligt op vaardigheden verbeteren, meer kennis opdoen, inzet tonen en naar eigen kunnen presteren.

In een ego-klimaat ligt het accent op onderlinge vergelijking. Hier vergelijken sporters zich vooral met elkaar. Presteren is vooral een demonstratie hoe goed je bent ten opzichte van andere sporters.

De beide varianten zijn geen uitersten op dezelfde dimensie. Een sporter kan zowel een hoge taak als een hoge ego oriëntatie hebben.

Waar het ego-klimaat met het onderlinge vergelijken als focus vaak inherent is aan sport, doen (jeugd)coaches er goed aan te investeren in het taak-klimaat. Dit versterkt de motivatie, het zelfvertrouwen en het plezier van sporters. Wanneer er teveel accent op onderlinge vergelijking (ego-klimaat) ligt, en te weinig op eigen ontwikkeling en inzet (taak-klimaat), vermindert veelal de motivatie, vertrouwen en het plezier.

Hoe bepaal jij als coach, atleet of team je succes? Investeer in het taak-klimaat door meer focus te leggen op het verbeteren van vaardigheden, inzet tonen en naar eigen kunnen presteren.

Wanneer kan ik mijn sport weer gaan hervatten?

Meer dan 90% van de sporters verwacht terug te keren naar de sport na een voorste kruisband (VKB) reconstructie. Eén van de eerste vragen die je stelt na een VKB reconstructie is daarom: “Wanneer kan ik mijn sport weer gaan hervatten”?

Keert iedereen terug naar de sport?

Dit lijkt een makkelijke vraag, maar in de praktijk blijkt dat terugkeren naar de sport een multifactorieel probleem is. Met andere woorden: er blijken verschillende voorwaarden van belang te zijn om succesvol te kunnen terugkeren naar de sport. Helaas blijkt dat slechts 65% van de amateursporters succesvol terugkeert naar het sportniveau van vóór de blessure. Ook krijgt een relatief groot deel van de jonge sporters een nieuwe VKB blessure. Eén van de redenen hiervoor is dat de beslissing om terug te keren vaak gebaseerd wordt op subjectieve criteria (bijvoorbeeld alleen gebaseerd op revalidatietijd), zonder objectief de voorwaarden voor een terugkeer naar de sport in kaart te brengen.

Hoeveel % keert terug?

  • Wel terug 65%
  • Niet terug 35%

Voorwaarden?

Ten eerste is de lengte van je revalidatietraject van groot belang of je succesvol en veilig terugkeert naar de sport. Een aantal jaren geleden werd traditioneel een revalidatie van 6 maanden geadviseerd. Echter, het blijkt dat een revalidatietraject van minimaal 9 maanden zorgt dat de kans op een nieuwe VKB blessure fors afneemt. Het advies is daarom om minimaal 9 maanden te revalideren na je VKB reconstructie, en misschien wel langer om alle voorwaarden zo goed mogelijk te trainen.

Maar welke voorwaarden spelen hierbij een rol? En hoe maken we deze voorwaarden meetbaar?

Kwaliteit van een revalidatie

Nog veel belangrijker dan de lengte van je revalidatie, is de kwaliteit van het revalidatietraject. In een serie blogs proberen wij op een makkelijke manier uit te leggen welke voorwaarden van invloed zijn op een terugkeer naar de sport, hoe deze voorwaarden te trainen en hoe deze voorwaarden te testen voordat je terugkeert naar de sport.

Immers, wanneer je deze voorwaarden niet test gedurende de revalidatie, ben je eigenlijk aan het gissen of de kwaliteit van je revalidatie wel goed genoeg was voor een terugkeer naar de sport…

> Revalidatietraject van minimaal 9 maanden

> Voldoende spierkracht

> Goede kniefunctie

> Goede bewegingstechniek

> Mentaal klaar

> Afgeronde veldrevalidatie

Auteur Wouter Welling

Mijn naam is Wouter Welling en ik ben werkzaam als bewegingswetenschapper bij MCZ in Groningen; een praktijk die de medische begeleiding verzorgt voor alle topsport in Noord-Nederland. Tot mijn takenpakket behoren onder andere het ontwikkelen van objectieve testbatterijen, het afnemen van blessure preventie metingen en het monitoren van de training load.

Na het afronden van mijn master Bewegingswetenschappen ben ik doorgegaan met promotieonderzoek naar voorste kruisband (VKB) blessures aan de Rijksuniversiteit Groningen. Het promotieonderzoek waar wij nu aan werken richt zich op ‘Return to sport decisions’ na een VKB reconstructie. Hierbij proberen we praktische en relatief makkelijk uitvoerbare meetmethoden te combineren, die voor elke therapeut uit te voeren zijn en die ondersteunend zijn in de ‘Return to sport decisions’.

Binnen het Omnium werkt iedereen met elkaar samen. Mensen met voet-, knie-, heup-, rug- of houdingsklachten die worden doorverwezen naar de Voetzorg van Schutrups, hebben vaak geen idee wat hen te wachten staat. Nou, veel. Registerpodoloog Brian Fredriks neemt ons mee door het hele proces.

Bij wie iemand met voet- of houdingsklachten terechtkomt, wordt altijd bepaald bij het eerste contact, meestal een telefoontje. “Bij het maken van een afspraak wordt al gefilterd of er bijzonderheden zijn”, zegt Brian. “Dat doen we, omdat wij allemaal een verschillende achtergrond hebben. Mensen met diabetes, komen bijvoorbeeld terecht bij een podotherapeut, omdat die daarin gespecialiseerd is en de hele zorg op zich kan nemen. In alle andere gevallen, maakt het niet uit, omdat dan al onze mensen het onderzoek kunnen doen. We kijken dan gewoon bij wie iemand het snelst terecht kan.”

Wel een zool, maar geen goede schoen? Dan sla je de plank mis

“De drie disciplines die Schutrups in huis heeft, zijn de registerpodoloog, de podotherapeut en de podoposturaal therapeut. Dat is eigenlijk voortgevloeid uit de methode die Erik en Jan Schutrups met hun vader hebben ontwikkeld. Dat begon met de podoposturale therapie. Ze keken niet, zoals gebruikelijk was, alleen naar de voetstand, maar naar het geheel, holistisch. Dat betekent dat ze ook letten op de lichaamsbouw, de stand van de wervelkolom en de hele houding. Daar is uiteindelijk een stroming podotherapie en podologie uit voortgekomen. En nadien hebben we alle drie die disciplines in huis gekregen. Iedereen die een zooltje nodig heeft en geen specifieke klachten heeft, kan bij alle drie de disciplines terecht.”

Wat zijn dan de verschillen?

“Ze hebben een verschillende vooropleiding. De podotherapeut is als gezegd gespecialiseerd in diabetische voetzorg. De registerpodoloog is de behandelaar die vanuit de voet naar het hele lichaam kijkt. De podoposturaal therapeut doet dat ook, maar die is weer gespecialiseerd in spierspanning en zenuwen. Maar het mooie is bij ons juist de kruisbestuiving. Alle behandelaars hebben van alles een stukje meegekregen. En we gebruiken alle technieken van elkaar.”

Hoe gaat dat dan elders?

“Bij veel praktijken is het: ‘Krul de broekspijpen maar omhoog’ en dan begint het onderzoek. Dat is hier ondenkbaar. De voet is weliswaar de basis, maar alles wat je onder de voet verandert, heeft invloed op het hele lichaam.”

Hele lichaam

“Daarom moet je als behandelaar het hele lichaam zien. Wij maken namelijk niet alleen een zool, we kijken naar het hele lichaam en het beweegpatroon. Het doel is uiteindelijk dat we er voor zorgen dat iemand die problemen heeft weer kan bewegen zoals hij of zij wil. Dat iemand bijvoorbeeld weer op een fijne manier sport kan bedrijven, of dat nou een marathon lopen is of vijf kilometer wandelen. Als we daar voor kunnen zorgen, dat is het leukste wat er is.”

Veel mensen hebben wel pijn, maar geen idee dat ze scheef staan en dat die pijn daar vandaan komt.

“Scheef staan is niet per definitie een probleem. Er zijn heel veel mensen die een standafwijking hebben, maar die daar geen last van hebben. Het kan wel dat dat op latere leeftijd klachten gaat opleveren. Als je een afwijkende stand hebt in een bepaald gewricht, ga je je lichaam asymmetrisch belasten om te compenseren. En dat kan bij het ouder worden problemen opleveren. Of zorgen dat je geen marathon kunt lopen, terwijl je dat wel graag wilt.”

Zou het slim zijn als iedereen zich preventief bij jullie zou melden?

“Theoretisch wel. Wij deden dat soort checks al bij voetbalclubs, waar we iedereen in de opleiding gingen screenen. En bij handbalclubs. En we gaan het nu ook doen bij bedrijven. Daar heeft het zeker zin, omdat daar de voeten zwaar belast worden. Bij preventief onderzoek ligt wel de toekomst. Ik weet dat Defensie het ook overweegt bij iedereen die nieuw binnen komt. Daarmee kun je veel leed voorkomen.”

Kunnen die ‘broekspijppodologen’ trouwens wel goede zooltjes afleveren?

“Dat kan wel. Maar je loopt een groot risico dat je belangrijke dingen over het hoofd ziet. De hoogte van de knieplooi, de bilplooi, de contouren van de heup, de stand van het SI-gewricht, tot aan de schouderbladen aan toe. Dat zie je simpelweg niet als iemand gewoon gekleed is. Terwijl dat wel allemaal kan veranderen zodra je iets onder de voet doet. Bij een gedegen onderzoek moet je echt iemand in zijn geheel zien.”

Goed. Na het eerste onderzoek is de uitkomst dus: wel of geen zooltjes?

“Klopt. En daarbij geven we altijd een goed schoenadvies. Of zooltjes zijn niet nodig, maar een goed schoenadvies wel. Sowieso: als je een zooltje moet, maar je neemt geen goede schoen, dan sla je de plank compleet mis. De schoen is en blijft de basis. In een verkeerde schoen zal een zool nooit optimaal werken. En een goede schoen, dat is een schoen waarbij de combinatie van functionaliteit, leest, breedte en hoogte super belangrijk is.”

Op goed geluk

“Ook hierbij zie je de kracht van het Schutrups-concept. De meeste podologiepraktijken hebben geen schoenwinkel. Wij kunnen direct aan de mensen in de winkel doorgeven waar ze op moeten letten bij de aanschaf van schoenen. Als je geen winkel hebt, moet je mensen op goed geluk zooltjes meegeven en die komen dan misschien in een schoen waar je niet achter staat als behandelaar. Waardoor de behandeling niet honderd procent werkt.”

Gaan jullie na het onderzoek letterlijk mee de winkel in?

“Jazeker. Als ze schoenen willen kopen, vertellen wij de verkoper waar ze op moeten letten. En als wij weten welke schoenen iemand gekocht heeft, zorgen we dat de zooltjes bij aflevering, circa twee weken later, perfect passen. In andere gevallen doen we eventuele aanpassingen aan de zooltjes bij de aflevering.”

De podologen van Schutrups hebben allemaal tijdens hun opleiding geleerd om zelf zolen te maken, maar dat doen ze doorgaans niet. Brian: “We ontwerpen ze zelf, maar ze worden in de werkplaats gemaakt. Eén van mijn taken is het ontwerpen van alle zooltjes voor iedereen. Ik krijg van mijn collega’s op papier het plan aangeleverd en maak daar een digitaal plan van voor het CAD-CAM frezen. Daardoor hebben we eenheid in het uiterlijk van alle zolen die wij leveren.”

Er is een gigantische keuze in zolen. Hoe kiezen jullie de juiste?

“Dat is afhankelijk van wat iemand wil doen en wat de klachten zijn en wat je wilt bereiken als behandelaar. Het varieert van super zachte voor mensen bij reuma tot extra harde voor bijvoorbeeld en stratenmaker van 120 kilo met platvoeten. Maar we hebben ook sport specifieke zolen. Van verend materiaal voor hardlopers tot vrij hard materiaal voor zaalsporten. En alles wat er tussenin zit.”

Wanneer moeten de cliënten terugkomen voor controle?

“Na acht weken. Dan checken we of alles goed is gegaan, of het herstel is ingezet of zelfs al bereikt. En indien nodig kunnen we de zool nog aanpassen of ombouwen. Je kunt je namelijk voorstellen dat als iemand een centimeter beenlengte-verschil heeft en we willen dat overbruggen, dat dat niet in één stap kan.”

Rustig opbouwen

“Dan bouwen we het over een langere periode rustig op. En op die momenten kunnen we de progressie ook goed controleren.”

Hoe lang gaat een zool gemiddeld mee?

“Afhankelijk van de klacht willen we de cliënten sowieso eens in het halfjaar of eens per jaar controleren. Gemiddeld gaat een zool anderhalf jaar mee, soms twee jaar. En daarna begint het bij nieuwe zolen van voren af aan. Ook al kennen we de cliënt, dan nog is het ook bij een volgende zool niet ‘Rol de broekspijpen maar op’. We bekijken alles opnieuw omdat het lichaam verandert.”

Jij ontwerpt de zolen voor iedereen. Is er dan nog wel tijd om zelf cliënten te zien?

“Zeker wel. Ik ben naast register-podoloog ook sportpodoloog. Ik ben heel graag met sporters bezig. Dat zijn mensen die zich heel bewust zijn van hun lichaam en er goed voor willen zorgen. Als ik niet een aantal uren per dag zou zijn vrijgemaakt voor het ontwerpen van de zolen, zou ik zo’n vijftien tot twintig cliënten per dag zien. Dat is best veel. Daarom ben ik ook zo blij met de afwisseling. Die zorgt voor een goede balans, waardoor ik letterlijk en figuurlijk goed in mijn vel zit.”

Waarom ontwerpt niet iedereen zijn eigen zolen?

“Ten eerste voor de eenheid vanuit Schutrups, het Schutrups-sausje. En verder heb je ongemerkt een soort controlerende functie. Als ik iets raars zie, ga ik in overleg met de behandelaar en bepalen we samen het definitieve ontwerp. Dat gebeurt niet vaak, een paar keer per maand maar.”

Blij met feedback

“Voor de studenten van de Academy is zo’n achtervang ook fijn. Die zijn blij met de feedback, omdat ze er weer iets van kunnen leren.”

Jullie hebben het altijd over een ‘Schutrups-sausje’. Wat is dat?

“Dat is het hele concept hier. Neem die Academy. Dat is niet de standaard podologie-opleiding. Of de standaard-opleiding tot podotherapeut. Er staat echt een Schutrups-handschrift op. De nieuwe mensen moeten ook passen binnen de hele filosofie. Dat betekent bijvoorbeeld dat ze niet alleen als podoloog werken, maar ook gewoon in de winkel. Zelf heb ik daar ook jaren gewerkt. De kennis die je in de winkel opdoet, is onmisbaar voor het werk in de podologie. De schoen is en blijft namelijk de basis.”

Als je de informatie op verschillende websites mag geloven, zou je denken dat eiwit een soort wondermiddel is dat zorgt voor veel spiermassa en kracht. Het is bewezen dat eiwitten uit voeding de aanmaak van lichaamseigen eiwit stimuleert, de afbraak van spiermassa voorkomt en ervoor zorgt dat je spieren zich kunnen herstellen na inspanning. Er is echter geen bewijs dat het eten van meer eiwit dan je nodig hebt, ook meer spiermassa of kracht oplevert. Meer is dus niet per definitie beter! Sterker nog, als je zo gefocust bent op veel eiwitten eten, kom je misschien brandstoffen (koolhydraten en vetten) tekort om optimaal te presteren.

Eiwitten in het lichaam

Eiwitten uit je voeding worden in je lichaam afgebroken tot de bouwstenen van eiwitten, de aminozuren. Je lichaam kan aminozuren omvormen tot een nieuw eiwit met een unieke functie in het lichaam, zoals een enzym, een hormoon of een eiwit dat zuurstof vervoert zoals hemoglobine. Wanneer je lichaamseigen eiwit wordt afgebroken komen aminozuren vrij. Deze aminozuren leveren brandstof, maar het betekent ook dat je lichaam zichzelf aan het opeten is. Om te voorkomen dat eiwit gebruikt worden als energiebron, is het belangrijk om voldoende koolhydraten en vetten als energiebron beschikbaar te hebben in je lichaam. Door de energie-inname uit koolhydraten en vetten in balans te hebben met het energieverbruik, kunnen eiwitten uit de voeding gebruikt worden als bouwstof voor de eiwitopbouw (ook wel eiwitsynthese genoemd).

3 redenen waarom je eiwit moet eten:

  • Om te zorgen dat je meer spiermassa en daardoor kracht ontwikkelt; 
    Er vindt continu eiwitopbouw en -afbraak in je lichaam plaats. Dit proces wordt de eiwit-turnover genoemd en gebeurt met behulp van eiwitten uit voeding en lichaamseigen eiwitten (spieren). De eiwitten worden dus als het ware door je lichaam gerecycled.
  • Voor het herstellen van spierschade;
    Deze spierschade loop je op tijdens een intensieve en/ of langdurige inspanning. Dit uit zich in kleine spierscheurtjes. Het herstellen van deze scheurtjes gaat sneller wanneer je voldoende eiwitten uit je voeding binnenkrijgt.
  • Om spiermassa te onderhouden. Gemiddeld heb je als sporter meer spiermassa dan een niet-sporter. Dit is een gevolg van je training. Voor het onderhouden van deze spiermassa heb je eiwit nodig.

Hoeveel eiwitten heb je nodig?

De richtlijn voor volwassenen in Nederland is 0,8 gram eiwit per kilogram lichaamsgewicht per dag. Voor iemand van 75 kg komt dit neer op 60 gram eiwitten per dag. Onder normale omstandigheden eet bijna iedereen meer dan deze richtlijn. Voor sporters gelden andere richtlijnen. Internationale richtlijnen geven voor sporters 1,2-2,0 gram eiwit per kilogram lichaamsgewicht per dag aan. Jouw eiwitbehoefte hangt af van de type sport die je doet, hoe vaak je traint en hoe getraind je bent. Als beginnende sporter heb je meer eiwitten nodig, omdat je spiermassa aan het opbouwen bent. De richtlijn maakt ook een verschil tussen duursporters en krachtsporters. Een duursporter heeft 1,2-1,4 gram eiwit per kilogram lichaamsgewicht per dag nodig en een krachtsporter 1,5-1,8 gram eiwit per kilogram lichaamsgewicht.  

Timing van eiwitten

Een algemeen advies is om 4-5 eetmomenten met minimaal 20 gram eiwitten te gebruiken. Zorg er dus voor dat je de eiwitten goed over de verschillende eetmomenten verdeelt, om zo de eiwitsynthese zo optimaal mogelijk te laten verlopen. De grootste uitdaging zit in de nacht, waar je gedurende een langere periode geen eiwitten binnenkrijgt. Om de spiereiwitsynthese gedurende de nacht te stimuleren en te voorkomen dat je spiermassa verliest tijdens het slapen, kun je voor het slapen gaan een eiwitrijke snack nemen.

Tot slot: heb je een eiwitshake nodig?

In sommige situaties heeft het zin om eiwitten als supplement (eiwitshakes) te gebruiken. Veel sporters beseffen echter niet dat er veel winst te behalen is in de basisvoeding (zie blog: Het opbouwen van je voeding voor de beste prestatie) en met timing.

Wil je weten of je voldoende eiwitten binnenkrijgt en uit welke bronnen je de eiwitten het beste kunt halen? Neem dan eens een kijkje bij de diëtisten van het Omnium: Topdiëtisten.

Op zoek naar eiwitrijke recepten? Neem eens een kijkje op ons YouTube kanaal: YouTube kanaal Topdietisten

Gebruikte bronnen voor dit artikel:
  1. I’m a Foodie Presents (2017). Eet als een atleet (1e ed.). Amsterdam, Nederland: I’m a Foodie Publishing

Er zijn momenten dat ik onwijs kan genieten en met mijn handen in de lucht sta na het behalen van een prestatie van één van mijn sporters. Een prestatie op sportgebied, of wanneer een sporter na een lange revalidatie weer op het veld staat. Maar vooral wanneer ze het vertrouwen in hun lichaam en hun functioneren terugkrijgen.

Return to Sport na VKB letsel of reconstructie

Maar er zijn ook momenten dat ik met mijn handen in mijn haren sta. Soms is het erg lastig om een bepaalde blessure te behandelen. Ik zie met name veel knie- en schouderklachten op het MCZ. Binnen de knierevalidatie zien we veel voorste kruisband (VKB) letsels en reconstructies. We weten dat 6-20% van de voorste kruisband revalidanten te maken krijgt met een nieuwe VKB blessure in dezelfde knie of de contralaterale (de andere), knie.

Tevens keert slechts 65% van de amateursporters terug op pre-operatief niveau van sporten. Veel sporters komen dus niet zo snel meer op het niveau als waar ze op zaten voor hun blessure. Tot op de dag van vandaag heeft de wetenschap moeite om ons als fysiotherapeuten te vertellen wat de reden hiervoor is. Wat zijn de variabelen waardoor een recidief ontstaat? En wanneer zou een sporter weer terug moeten keren na een VKB reconstructie?

Variabelen naast factor tijd

Wij zijn van mening dat er nog teveel wordt gekeken naar het tijdspad in plaats van andere mogelijk relevante aspecten binnen de revalidatie.. In 85% van de studies bleek dat revalidatietijd een Return to Sport (RTS) criteria was en in 44% zelfs het enige criteria voor groen licht om terug te keren in de sport. Zo proberen wij meer variabelen mee te nemen in het objectiveren van de status in een VKB revalidatie, zoals:

  • Limb Symmetry Index (LSI). We streven naar een peak torque verschil van de quadriceps en hamstring beneden de 10%.
  • Landingstechniek in geïsoleerde situatie (knie flexie en valgus). Zie de afbeelding hieronder voor een visuele presentatie van flexie (knie buiging) en valgus (x-benen). Hoe meer flexie en hoe minder valgus, hoe beter. De afbeeldingen laten een analyse zien door collega Bewegingswetenschapper Wouter Welling Msc.

Optimalisatie huidig predictiemodel

Uit onderzoek blijkt dat RTS en recidief na VKB letsel en reconstructie een multifactorieel probleem is. We werken momenteel aan een nieuw model dat nog meer variabelen mee moet nemen in de criteria om weer terug te mogen keren op het veld dan in het huidige model wordt genoemd;

  • Biomechanica op het veld om sport specifieker te meten in een minder laboratorium setting. Zie de afbeelding hieronder voor een visuele weergave hiervan. We kijken dan naar de kniehoeken (flexie en valgus): hoe beweegt de knie op het veld?
  • Kracht (peak torque) genormaliseerd op lichaamsgewicht. We streven ernaar dat mensen 300% van hun lichaamsgewicht weg kunnen duwen met hun quadriceps. Dus niet meer alleen een links-rechts verschil maar gebaseerd op het lichaamsgewicht.
  • Conditie, in hoeverre speelt een slechte conditie een rol in de belasting op het knie gewricht en de gereconstrueerde kruisband?
  • Psychologische factoren(bijvoorbeeld angst voor recidief).

En nu?

Binnen het orthopedie sportfysiotherapie team van MCZ proberen we met ambitieuze fysiotherapeuten en bewegingswetenschappers antwoord te vinden op de vraag welke factoren een rol spelen in het proces richting optimale RTS. Onze interesse om dit model te optimaliseren wordt gestimuleerd door de vele patiënten die we zien (zowel post operatief of na voorste kruisband letsel) en onze behoefte in het blijven ontwikkelen van de huidige revalidatie vanuit de wetenschap.

Terwijl wij onze revalidanten helpen met de op dit moment best mogelijk revalidatieprincipes zullen wij blijven zoeken! Voor meer informatie kunnen jullie de blogs van mijn collega Wouter Welling in de gaten houden, hij schrijft elke maand een blog voor de Knee Community.

De afgelopen jaren heeft voeding een steeds belangrijkere plaats gekregen in de sportwereld. De juiste voeding op het juiste moment draagt bij aan het verbeteren van het effect van de trainingen, een beter herstel na de trainingen en een betere lichaamssamenstelling. Logisch dus, dat ook diëtisten een plek hebben in het Omnium, de locatie voor iedere (beginnende of top) sporter!

De sportvoedingspiramide

Als sportdiëtist begeleiden en adviseren wij al jarenlang veel sporters op diverse niveaus, van topsporter tot de recreatieve sporter. Een handig hulpmiddel bij het adviseren van voeding aan sporters is de zogenaamde sportvoedingspiramide. Deze piramide bestaat uit drie lagen, te weten:

  • basisvoeding;
  • sportspecifieke voeding; 
  • en sportvoedingssupplementen.

Het fundament van de piramide

De onderste laag van de piramide is het fundament. Deze laag bestaat uit gezonde basisvoeding. Denk hierbij bijvoorbeeld aan volkorenbrood, fruit, groente, zuivel, zilvervliesrijst, aardappelen, vis en kip. Hiermee krijg je over het algemeen voldoende energie binnen om te kunnen trainen, voldoende eiwit voor opbouw en herstel van je spiermassa en voldoende vitamines en mineralen voor allerlei ondersteunende processen in je lichaam. Of je nu sport voor je plezier, om sterker te worden, om af te vallen of om lekker fit te blijven…..deze onderste laag is voor iedereen een goed uitgangspunt.

Verder opbouwen

De tweede, iets kleinere middenlaag, is de voeding die een sporter als aanvulling voor, tijdens of na de inspanning neemt. Hiervoor kun je voedingsmiddelen kiezen die uit de basislaag komen. Kwark is bijvoorbeeld een gezond voedingsmiddel uit de onderste laag, maar kan ook goed ingezet worden om te herstellen na de training. Veel sporters denken bij deze laag direct aan sportrepen, gelletjes en sportdranken. Meestal is dit pas aan de orde als je niet meer goed uitkomt met voeding uit de onderste laag. Je kunt je voorstellen dat als je meedoet aan een triathlon dat je sportdrank, sportrepen en sportgels bij je hebt om voldoende energie binnen te krijgen, de zogenaamde sportspecifieke voeding. 

Het topje van de piramide

De vorm van de piramide maakt meteen duidelijk hoe groot de bijdrage is van sportvoedingssupplementen. Ze zijn slechts het topje van de piramide. Hierbij kun je denken aan extra vitamines- en/of mineralen of aanvullingen die je sportprestatie kunnen verbeteren zoals bietensap of cafeïne.

Draai het niet om

Veel beginnende sporters draaien de sportvoedingspiramide vaak om, en beginnen met het nemen van sportvoedingssupplementen. Ze denken dat die noodzakelijk zijn om goed te kunnen presteren. Denk er aan; voor de beste prestaties leg je eerst een stevig fundament en vervolgens ga je verder bouwen. Wil je weten hoe je dit fundament precies bouwt? Neem dan eens een kijkje bij de diëtisten van het Omnium: Topdiëtisten. 

Zo’n 60.000 gedachten gaan er per dag door ons hoofd heen. Als het gaat om praktische, rationele zaken, zijn die gedachten heel erg nuttig. Dan helpen ze jou als sporter bijvoorbeeld bij het maken van de juiste keuze: “schiet ik die penalty links of rechts van de keeper?”

Op andere momenten zitten gedachten vaak in de weg. Die gedachten gaan bijvoorbeeld over wat er in het (recente) verleden is gebeurd. Of over wat er in de toekomst zou kunnen gebeuren: “als ik de bal nu maar niet verlies”. Wil je weten hoe je grip op die momenten krijgt en je beter kunt presteren? In deze blog vind je handige tips!

Zo goed mogelijk leren presteren

Het is belangrijk om sporters te leren, door middel van training binnen en buiten de lijnen , hoe ze mét (of ondanks) deze gedachten toch zo goed mogelijk kunnen presteren. Een wielrenner die twijfelt of hij wel of niet zal demarreren, een hockeyster die zich afvraagt of ze om de bal zal vragen. Of een korfballer die baalt van een gemist schot. En een schaatser die zich druk maakt over een valse start.

Vaak brengen dergelijke gedachten bepaalde emoties, zoals angst of spanning, teweeg. Die gedachten en emoties beïnvloeden ons gedrag. De wielrenner blijft toch maar zitten in het peloton, de hockeyster houdt zich toch maar stil, of de korfballer is boos op zichzelf en daarmee een tijdje afgeleid.

Gedachten spelen een belemmerende rol

Iedereen laat zich weleens door hun gedachten weerhouden goed te presteren. Gedachten spelen bij veel mensen een belemmerende rol:

  • je wilt iets met je baas bespreken, maar je denkt dat hij boos op je zal worden;
  • je wilt meer sporten, maar je denkt dat je dat toch niet vol zal houden;
  • je hebt een belangrijke presentatie, maar je verstand zegt je dat het op een fiasco zal uitdraaien.

Alsof ons hoofd in staat is om door een glazen bol de toekomst te voorspellen!

Neem je verstand niet altijd serieus

Om gedachten niet te veel invloed te laten hebben op je gedrag, is het belangrijk dat je je verstand niet altijd even serieus neemt. Gedachten zijn maar gedachten. Jouw ‘interne piekerfabriek’ produceert de hele dag door gedachten, maar dat betekent niet dat je er ook de hele dag in aan het werk moet zijn.

Wat kun je doen?

  1. Ga lekker naar ‘buiten’ door te ervaren wat er om je heen zoal is. Benoem ten eerste vijf dingen die je kunt zien. Benoem dan vijf dingen die je kunt horen. Benoem ten slotte vijf dingen die je kunt voelen. Wat zie, hoor en voel je? Je merkt al snel dat er veel meer is om je heen, wanneer je minder aandacht schenkt aan je verstand en meer in het hier & nu bent.
  2. Geef je verstand een naam. Bijvoorbeeld Kees, Truus of, nog beter, verzin zelf een naam. Iedere keer als Kees of Truus dan weer met een gedachte komt waar je niet op zit te wachten, dan kun je Kees of Truus bedanken voor dat ‘geweldige’ idee en aangeven dat je toch kiest voor wat je zelf wilt doen.
  3. Sta stil bij wat je echt belangrijk vindt. Met bovenstaande tips geef je jezelf wat ruimte. Ruimte om te doen wat je diep van binnen graag wilt doen. Maar wat wil je eigenlijk? Wat vind je belangrijk? Bijvoorbeeld die lastige situatie bespreken met je baas? Die belangrijke presentatie vol enthousiasme ten gehore brengen? Of in het geval van de sporters: doen wat het beste is voor jou en je team? Het is belangrijk om stil te staan bij wat je echt belangrijk vindt en op basis van die waarden te gaan handelen. Wat zou je doen met 50 miljoen euro? Wat zou je willen als je drie magische wensen mag doen? Hoe wil je herinnerd worden door je collega’s of teamgenoten? En daarna: doen!

Je bent niet wat je denkt

“If I lose the ball, I don’t waste time and energy worrying about it – I just try to win it back.” Een mooie quote van voetballer Marco Verratti. Je bent niet wat je denkt, maar wat je doet! De wielrenner die demarreert en meedoet voor de eindzege, de hockeyster die om de bal vraagt om vervolgens een beslissende pass te geven, de korfballer die zich meteen weer met het spel bemoeit en alsnog een schot raak schiet.

Meer informatie over dit onderwerp? Informeer dan naar de mogelijkheden tot het volgen van een training op het gebied van Acceptance Commitment Training (ACT) bij INTER-PSY Sport & Prestatie. Voor alle leeftijden en niveaus! Mail voor meer informatie.